Yan Schroën (1964) studeerde biochemie, natuurgeneeskunde, traditioneel Chinese geneeskunde (acupunctuur en kruidengeneeskunde) en daoïstische filosofie. Hij deed dit in Nederland en de Volksrepubliek China. Hij is ruim 30 jaar in de praktijk werkzaam als acupuncturist en Chinees herbalist, doceert aan verschillende opleidingen in Europa, USA en China en publiceert in een aantal vaktijdschriften. Yan blijkt een bruisend spreker. Zijn coherente betoog leidde me van eindeloze vergezichten naar verbijsterende inzichten.

Yan, je zei dat er in het verleden verschillende Chinese scholen voor geneeskunde waren, ook een school van de infecties, begreep ik dat goed?
Ja, de koude ziektes.

In die tijd kende men nog geen virussen of bacteriën, hoe definieerde men dan besmettelijke ziektes?
Dit is precies weer die andere manier van kijken. Wij kijken naar de pathogeen, een virus, bacterie of streptokok, en zeggen dat je daar ziek van wordt. De Chinese geneeskunde zegt: Nee, het gaat over de interactie van mijn Zhengqi (oprechte qi), die bestaat uit mijn Weiqi (afweer-energie) en Yingqi (voedende qi), met de Xieqi (vuile qi). Deze interactie moet in balans zijn, in harmonie. Het grootste gedeelte van mijn lijf bestaat uit bacteriën en virussen, ze zijn zelfs essentieel om mijn systeem te laten functioneren. Ik heb ook regelmatig een infectie nodig om mijn Weiqi (afweer-energie) te updaten. Ik moet flexibel en adaptief zijn met mijn buitenwereld, dus er moet een balans zijn tussen mijn afweerenergie en de vuile omgevingsqi, de pathogene energie van buiten. Soms is mijn lichaamsqi te zwak en dan word ik ziek door de pathogenen die er altijd zijn. En soms kan er een heel sterke Xieqi (vuile qi) of een heel nieuwe Xieqi opduiken en is mijn lijf verrast en moet zich daar weer op aanpassen. Het gaat niet om het vernietigen van het virus, maar om het herstellen van de balans tussen beide. Dat is ook het probleem met vaccinaties en met antibiotica: de resistentie van bepaalde bacteriën tegen alle antibiotica die we hebben is een probleem. Het mooiste is als we de westerse en de Chinese methoden kunnen combineren. Kijken of je iets tegen een virus, bacterie of streptokok kunt doen. En kijken of je iets aan die balans kunt doen tussen de lichaamseigen qi en de omgeving, in de interactie.

Hoe is die visie ontstaan?
Rond het jaar 180 na Chr. was er een Chinese arts met de naam Zhang Zhongjing. Hij is zo’n beetje de Hippocrates van China. In de tijd waarin hij arts was, waren er drie grote epidemieën waarbij meer dan een derde van de bevolking gestorven is aan dysenterie en tbc. Deze man deed 2000 jaar geleden al aan statistiek. Hij vroeg zich af: ik zie dat er iets in de lucht zit maar ik zie niet wat het is. Hij had niet de mogelijkheid om virussen en bacteriën te zien. Ik neem waar en zie dat mensen ziek worden door de lucht, door bij elkaar te zijn. Wat ik ook zie, is dat niet iedereen ziek wordt. En hij vroeg zich af: waarom?
Half mei hoorde ik op Radio 1 in het zgn. Coronaspreekuur precies deze vraag terugkomen, 2000 jaar later. Een man zei: ‘Mijn vrouw werkt in de zorg en heeft corona opgelopen. We zijn samen met onze drie kinderen thuis in quarantaine gegaan. Twee van mijn kinderen hebben ook corona gekregen, maar mijn oudste zoon en ik niet. Waarom wij niet?’ De arts antwoordde: ‘Dat is toeval. Statistisch gezien krijgt een bepaald percentage het niet.’ Dan denk ik, ja, maar als wetenschapper is dát nu juist de vraag waarin ik geïnteresseerd ben: waarom worden die twee mensen niet ziek?