Zacht en warm als Stone – Laura Stone

by | 13/01/2019 | Interview

Als ik in idyllisch Deventer bij The Studio aankom zet de statige woning met de naam van een advocatenkantoor in het portiek me even op het verkeerde been. Tot Laura Stone de deur opent en met haar verschijning rust creëert.

Tijdelijk dan toch, want in de woonkamer, bij de comfortabele leunstoelen, neemt ze direct het voortouw: ‘Heb je die gezien?’ en wijst naar een kamerhoog doek aan een muur. Het wandkleed toont, tegen een warm zachtrode achtergrond, acht figuren in levendige kleuren; de acht onsterfelijken uit de daoïstische mythologie.

Laura: Het doek is geborduurd aan het eind van de 19e eeuw en begin jaren 80 uit China naar Indiana USA, dicht bij mijn woonplaats, gebracht. Zoiets betalen, dat was niet goedkoop! Maar het maakte indruk op mij, en ik ben het aangegaan. Dat komt allemaal door T’ai Chi, dat ik zo geraakt ben door Chinese cultuur.

Je bent al jong betrokken geraakt bij taiji?

Ik was 20 toen ik ermee begon, maar had het drie jaar ervoor voor het eerst gezien, met een student van Grootmeester T. T. Liang. Op mijn zeventiende ging ik naar Amherst, Massachusetts, naar de Graduate School of Education, een alternatieve, experimentele school; ik mocht er lessen bijwonen van de ouderejaars studenten. Een docent fotografie en yoga liet mij op een dag T’ai Chi zien. Dat maakte zoveel indruk: het is bijna 50 jaar geleden, maar ik weet het nog precies, ik weet zelfs wat ik aan had. Hij toonde me ook een boek over T’ai Chi, misschien dat van GM Liang.

Vervolgens ging ik naar een klein Liberal Arts College en conservatorium waar ik yoga heb beoefend omdat er geen T’ai Chi was. In die periode zag ik Judyth Weaver de vorm van Cheng Man-Ching doen, maar dat was ver weg van waar ik woonde. Ik was een beetje op zoek; al op zo jonge leeftijd wilde ik meer rust. Ik kom uit Chicago en het leven daar is druk en competitief, mensen praten hard en snel. Ik voelde me ook niet verbonden met mijn lijf, vroeg me toen ik 14 was niet om te dansen, dat deed ik niet. Ik was ook niet echt sportief, wel actief, en bij ploegsporten op school een beetje agressief, altijd vooraan. T’ai Chi was echt goed voor mij; het gaf me niet alleen fysiek, maar ook mentaal rust.

Op 4 juli 1972 zag ik een oudere man onder een boom bij Lake Michigan T’ai Chi doen. Hem heb ik nooit meer gezien, maar Robert Cheng, zijn leraar, werd mijn eerste leraar.

Je was visueel geraakt door taiji?

Toen ik het zag wist ik het meteen. Ik ging drie à vijf keer per week naar hem toe, en hoewel hij ook een vorm van T’ai Chi Sanshou deed, had ik niet door dat het een vorm van zelfverdediging was. Voor mij was het een soort dans; ik was geraakt door de interactie, door de mooie bewegingen.

Toen ik naar Indiana University ging om muziek te studeren zocht ik iemand om verder T’ai Chi bij te leren; 35.000 studenten maar niemand die T’ai Chi-les gaf. In de ‘Free University’ kon je lessen aanbieden of vragen. Ik heb een kaartje ingevuld: ‘Ik zoek mensen met wie ik T’ai Chi kan oefenen’. Twee weken later stond mijn naam op een affiche, als leraar T’ai Chi, en snel erna stond ik in een conferentiezaal met 20 mensen. Vier van de aanwezigen wilden T’ai Chi van mij leren. Natuurlijk heb ik het mijn leraar gevraagd, want, hoewel intensief, was ik toch pas 15 maanden bezig: ‘Mag ik T’ai Chi-les geven?’, en hij zei: ‘Als je eerlijk bent over wat je weet en wat je niet weet’.

Dit nummer gemist? Nieuwsgierig naar het volledige interview?

Bestel TQT 24