Q-koorts: Over het ontstaan en de ontwikkeling van qigong in China

by | 09/03/2017 | Boekbespreking

In minder dan een eeuw tijd transformeerde qigong in China van oefeningen die in een zeer bepaalde context, als onderdeel van traditionele praktijken, werden beoefend, tot een op zich zelf staande, door de regering gecontroleerde sport. Deze verandering ging niet geleidelijk, zoals bij taijiquan, maar bracht een groot deel van het land heftig in beroering.

Deze keer staat Qigong Fever van David Palmer centraal. De ‘koorts’ in de titel van het boek is de vertaling van het Chinese re, de benaming van een massale interesse in de maatschappij voor een bepaald onderwerp, vergelijkbaar met de goudkoorts.

David A. Palmer is professor in de antropologie en religieuze studies aan de Chinese Universiteit van Hong Kong, hij behaalde zijn doctoraat aan de Sorbonne, Parijs. In 1994, met de qigong re op een hoogtepunt, was hij als jong, ambitieus antropoloog op zoek naar een mogelijkheid tot participerend onderzoek naar qigong. In Chengdu werd hij aangesproken door een oudere man die hem qigong wilde onderwijzen. Palmer hapte meteen toe. Zijn beoefening bezorgde hem lichamelijke ervaringen en bewustzijnstoestanden waar hij zich voorheen geen voorstelling van had kunnen maken. In het qigongmilieu echter voelde hij zich niet thuis. De gesprekken daar gingen voornamelijk over wonderbaarlijke genezingen en de paranormale krachten van meesters. Palmer wilde geen deel uitmaken van het qigongnetwerk dat onlosmakelijk verbonden was met de politieke en sociale structuur van de Volksrepubliek. Hij zag de noodzaak onderscheid te maken tussen: 1: lichaamstechnologieën, waarvan velen ontstaan zijn in vroegere tijd; 2: de manieren waarop deze door specifieke maatschappelijke organisaties worden doorgegeven; en 3: de ideologie van die organisaties. Mede op advies van zijn mentor Kristofer Schipper besluit hij zijn onderzoek te richten op een algemeen en historisch beschouwen van de qigonggemeenschap. Hij verzamelt een indrukwekkende hoeveelheid aan informatie en beschrijft vijftig jaar qigonggeschiedenis.

Wat voor de lezers van TQT het meest interessant is, lijkt mij de ontwikkeling van qigong in de tijd. Hoewel die helemaal afhankelijk was van de sociale en politieke situatie in China beperk ik me tot de hoofdlijnen.

Vanouds werden medische kennis, spirituele leer en methoden, martial arts, zeer beperkt doorgegeven. In diverse, van elkaar gescheiden gemeenschappen zoals boeddhistische en daoïstische kloosters en families van geneeskundigen, confucianisten, krijgskunstenaars en artiesten werden diverse vormen van fysieke en meditatieve oefeningen gedaan. Deze oefeningen stonden niet op zichzelf maar maakten een (soms klein) deel uit van een langere leerweg. Meestal was het een leraar die persoonlijk onderricht gaf aan een klein aantal leerlingen; familieleden en toegewijde buitenstaanders, die dan vaak ook als familie werden behandeld.

Na de val van het keizerrijk komt daar langzamerhand beweging in. Oude structuren brokkelden af, er is een streven naar een moderne staat met het westen als voorbeeld, maar tegelijk een nationalistisch sentiment naar een (gefantaseerde) goede oude tijd. Taijiquan verspreidde zich over China, er verschenen enkele boeken over boeddhistische meditatie, martial arts werden meer openlijk beoefend.

Een grote verandering vond eind jaren ’40 plaats. De naam qigong werd aangenomen, het werd opnieuw geformuleerd (het cultiveren van lichaam, adem en geest), passend gemaakt voor het gezondheidsstelsel in een moderne marxistische staat. De relatie was niet meer die van leraar-leerling, maar die van arts-patiënt. Qigongklinieken werden gesticht. Qigong was voor het volk, maar in de praktijk waren het vooral kaderleden die er toegang tot hadden. Tijdens de Grote Sprong Voorwaarts kwam het op een laag pitje te staan, om helemaal uit het openbare leven te verdwijnen tijdens de Culturele revolutie.

Guo Lin komt de eer toe in 1970 als eerste in de openbare ruimte les te geven. Ze werd uit parken verwijderd, door de veiligheidsdienst meermalen ondervraagd, haar assistenten werden enkele weken gevangen gezet. Maar ze hield vol, na de Culturele revolutie werd ze gesteund door partijleden en groeide een organisatie rond haar. Na de hervormingen van Deng Xiaoping kwam de beoefening echt op gang. De gezondheidszorg, tot dan gratis, veranderde, marktwerking en commercie deden hun intrede. Mensen gingen op zoek naar goedkope methoden om te genezen of gezond te blijven. Leraren die tijdens de Culturele revolutie hun beoefening hadden voortgezet ‘kwamen uit de bergen’, dat wil zeggen, zochten de openbaarheid. Rond charismatische meesters ontstonden netwerken, de media besteedden er veel aandacht aan, tijdschriften en boeken werden uitgebracht. De staat ondersteunde campagnes op het gebied van gezondheid, sport, wetenschap en defensie. Op pleinen, in parken, langs rivieroevers, overal verzamelden zich groepen die qigong beoefenden, van stilstaand tot heftig bewegend, er was voor elk wat wils. Naar schatting beoefende omstreeks 1990 20% van de stedelijke bevolking qigong.

De staatsbemoeienis met qigong verruimde zich sterk buiten het gebied van een goedkoop gezondheidssysteem. Hoog in de partijtop waren qigongsupporters die hoopten op een wereldomvattende wetenschappelijke revolutie waarbij China het voortouw zou hebben. Ook het militaire apparaat zag mogelijkheden in de paranormale vermogens die sommige van de beroemde meesters ten toon spreidden. Teletransportatie, verandering van materie, van grote afstand het weer beïnvloeden of informatie lezen, allemaal mogelijkheden van de geest ontwikkeld door het oefenen van qi. Prachtig natuurlijk, als je de geheimen van je tegenstander kent en zijn wapens in kauwgum kunt veranderen. Uit wetenschappelijke hoek kwam ook protest, maar dat werd enkele keren van staatswege verboden.

Midden jaren ’90 begon het uit de hand te lopen. Het antiqigongkamp won aan macht; kritiek was er op de vele qigongmeesters die enorme bedragen verdiend hadden met, in de ogen van de critici, volksverlakkerij, goocheltrucs en pseudowetenschap. Er waren twee groeperingen, zhonggong en falungong, die ieder ongeveer evenveel aanhangers hadden als de communistische partij. Vooral falungong zorgde voor problemen. Eerst, in 1994, distantieerde de beweging zich van qigong; lichaamsbeweging en ontwikkeling van qi beschouwde de leider als minderwaardig. Zijn leer was de uiting van een hogere spirituele waarheid die verlossing kon brengen uit deze demonische wereld. De groepering weigerde zich te voegen naar de van bovenaf opgelegde beperkingen en kwam daarmee op ramkoers richting machthebbers te liggen. Met desastreuze gevolgen: de staat greep in.

Falungong werd als ‘ketterse sekte’ verboden, qigongmeesters werden gevangen gezet, samenkomsten verboden. Boeken over qigong mochten niet meer uitgebracht worden, de hele qigongsector zakte in elkaar. De ontstane leemte werd deels ingevuld door yoga, voor het jaar 2000 nagenoeg onbekend in China, nu schieten de scholen als paddenstoelen uit de grond. De overheid is de enige instantie die qigongleraren, trainers, mag opleiden. De Chinese Health Qigong Association standaardiseerde een aantal veilige, oude traditionele oefeningen (baduanjin, yijinjing, liuzijue, wuqinxi; resp. acht brokaten, spieren/pezen verandering, zes helende klanken, vijf dieren spel) en brachten daarover in 2007-2008 boeken in westerse talen met dvd op de markt. De afgelopen jaren zijn er opnieuw boeken uitgebracht met gestandaardiseerde vormen, waarvan enkele nieuw zijn ontwikkeld, maar wel met een verhaal dat teruggrijpt naar de goede oude tijd, zoals Mawandui en Dawu qigong. Een laatste ontwikkeling is het houden van wedstrijden in de nieuwe vormen.

Tot zover David Palmer. Deze chronologie doet geen recht aan de inhoud van het boek. De hoeveelheid informatie die Palmer heeft verzameld en stapsgewijs presenteert is indrukwekkend. Hij ontwart een ingewikkeld web van qigonggroeperingen, meesters, staatsorganisaties, de machtige spelers in het veld, hun verwachtingen en belangen. Het is goed geschreven, heeft wel wat van een detective zoals steeds meer puzzelstukjes een steeds completer beeld scheppen. Soms is het zelfs spannend, vooral de laatste twee hoofdstukken die de ontwikkelingen rond falungong behandelen. Voor inzicht in ontstaan en ontwikkeling van qigong voordat het bekend werd in het westen is dit hèt boek. Ook geeft het veel inzicht in het China van nu. Een belangrijk boek voor de serieuze beoefenaar van qigong en voor wie in de Chinese (hedendaagse) cultuur is geïnteresseerd.

Qigong Fever: Body, Science, and Utopia in China
David A. Palmer
New York, Columbia University Press, 2007
356 pp.

Ingekorte, bewerkte vertaling van:
La Fièvre du Quigong: guérison, religion, et politique en Chine, 1949-1999
Paris, Editions de l’EHESS, 2005
512 pp.