Meester in moleculaire taiji – Roel Jansen*

by | 03/07/2019 | Interview

‘De Essentie van Tai Chi’ uit de kleine collectie boeken over taijiquan in de plaatselijke bibliotheek maakte op mij als beginnend taijiër grote indruk. Bijna twee decennia later zit ik in een schilderachtige Haags appartement tegenover de auteur.

 

Je was vijftien toen je begon met tit khun. Wat is dat?

Het is een kleine Chinese familiestijl waarvan de lijn loopt via Indonesië. Tit Khun heeft, net als taiji, een heel achterliggend veld aan denkbeelden en filosofie. De kunst zelf is de ingang waardoor mensen binnenkomen. Zelf duik ik er steeds dieper in. En raak daar af en toe de weg ook kwijt.

Lachje.

 

Hoe kwam je erbij om dat te gaan doen?

Van huis uit groeide ik op met ‘vechten doe je niet’. Toen ik als brugpieper voor de koffiemachine door een ouderejaars geduwd werd en mijn koffie in zijn gezicht gooide, leverde me dat dan ook klappen op; ik wist niet hoe ik moest vechten. De jongen die toen voor opkwam zei na afloop: ‘Je kunt ook voor jezelf leren zorgen.’ Dat was, op mijn 12e, mijn wake-up call: ik begon aan karate, daarna taekwondo en – vanuit mijn Indische achtergrond – pençak silat.

Daarnaast keek ik fanatiek naar de televisieserie Kungfu met David Carradine; het raakte iets in me, alsof ik iets herkende. Het was me ook toen al duidelijk dat martiale vaardigheid maar een bijproduct was van een grotere zoektocht. Eens per week knokten we met vrienden van karate en taekwondo ergens buiten Eindhoven wat tegen elkaar en op een keer was er een jongen bij die iets geheimzinnigs deed: kuntao. Door een oom, die dat korte tijd in Nederlands-Indië getraind had, wist ik van het bestaan ervan: kuntao is de overkoepelende naam voor de Chinese krijgskunsten in Maleistalig gebied. Het maakte me nieuwsgierig, en toen hij me uiteindelijk vertelde bij wie en waar hij dat leerde ben ik later naar dat adres gegaan. Zo kwam ik bij meneer Tan. Meneer Tan gaf heel besloten les. Hij vroeg me eerst waarom ik wilde trainen. Vanuit wat ik dacht te herkennen in mezelf en getriggerd door die tv-serie zei ik: ‘Ik zoek de kunst’, en daarop gaf hij me een eerste oefening. Hij stelde deze vraag altijd aan nieuwkomers, en een keer zei zo’n jongen: ‘Ik wil leren vechten.’ Meneer Tan antwoordde: ‘Ja, het is ook een vechtkunst, dat is logisch; maar om die traditionele kunst bij mij te leren duurt heel lang en dat kost je per maand zoveel, dat is zoveel per jaar. Weet je wat jij moet doen? Koop een pistool, dat werkt beter, is goedkoper en je hoeft niet te trainen.’ En hij bonjourde die jongen naar buiten.

Tit Khun was nog echt een vechtkunst, het was vechten, geen spelletje. Dat gaf een heel andere sfeer dan die je tegenwoordig tegenkomt.

* Vrij naar Harmen Mesker in zijn voorwoord bij De 108-vorm Yang-stijl Tai Chi

Dit nummer gemist? Nieuwsgierig naar het volledige interview?